Van oude menschen... Alles gaat voorbij
Onderstaand verhaal verscheen in de Boekenweek-bijlage van Dagblad van het Noorden.
Het motto van de boekenweek, ‘Van oude menschen’, is ontleend aan het meesterwerk van Louis Couperus uit 1906. Kunstredacteur Job van Schaik herlas het boek en concludeerde, niet voor het eerst, dat de roman uit 1906 het beste Nederlandse boek is dat hij kent.
Ik zal een jaar of zeventien zijn geweest toen ik Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan… voor het eerst las. Wat ik er als tiener van vond, weet ik niet meer. Merkwaardig genoeg zie ik mezelf nog wel met de roman van Louis Couperus, een lelijke, goedkope uitgave met een blauw omslag en gemoderniseerde spelling, op een stoel in de huiskamer van mijn ouderlijk huis zitten. En, zo merkte ik bij elke herlezing, de beelden die het boek in mijn hoofd oproept, zijn altijd hetzelfde gebleven. De bovenkamer van het huis van de stokoude mevrouw Dercksz aan de Nassaulaan in Den Haag, met in zijn stoel bij het raam haar minnaar van vroeger, de oude meneer Takma, ziet er in mijn hoofd nog net zo uit als die eerste keer.
Daar heeft zelfs de televisieserie van Van oude menschen, die ik verschillende keren heb gezien, geen verandering in kunnen brengen. Volgens mij komt dat door de enorme beeldende kracht van Couperus’ taal. Ik ken geen andere schrijver, Tsjechov wellicht uitgezonderd, die zo krachtig een situatie kan neerzetten of zo fraai een mens kan typeren. Het impressionistische taalgebruik van Couperus, met zijn vele neologismen (vaak werkwoordelijk gebruikte bijvoeglijke of zelfstandige naamwoorden), werkt enorm concretiserend. Hij is als een schilder die bestaande woorden mengt tot nieuwe begrippen, die – zonder dat je precies wéét waar ze voor staan – je wel onmiddellijk doen begríjpen waar ze op duiden. Neem de beschrijving van dokter Roelofsz, de partner in crime van de oude Takma en Ottilie:
Dercksz: – Zoo-zoo-zoo, murmelde de oude dokter. Hij zat, difforme massa van waterzuchtige zwaarlijvigheid, gezakt over een stoel; zijn eene stijve been hield hij strak vooruit, en de golving van zijn buik hing daar schuin overheen; zijn geheel geschoren, maar van rimpels verknoeid gezicht was als dat van een heel oude monnik; zijn dun grijs haar scheen, weggevreten door mot, nog in rafels aan zijn schedel te hangen, die als een globe was, met aan den slaap éen ader, zwaar en-relief rivierende; hij lispte en murmelde uitroep na uitroep; achter gouden bril zwommen zijn wateroogen. – Zoo-zoo-zoo, Ottilie, gaat jou Lot eindelijk trouwen…
De tweede keer dat ik Van oude menschen las, was tijdens mijn studie Nederlands, nu bijna twintig jaar geleden. Aanleiding was het beroemde proefschrift, Verhaal en lezer, van W. Blok over Couperus’ meesterwerk, dat ik moest bestuderen. Ik herinner me nog goed mijn conclusie van toen: als er ooit in de geschiedenis van de mensheid een roman is geschreven die stilistisch en compositorisch perfect in elkaar zit, dan is het Van oude menschen.
Toen ik onlangs de roman voor de derde keer las, kwam ik erachter dat die conclusie toch wel erg gestuurd was door de studie van Blok. Ik geloof inmiddels ook niet meer zo in het belang van perfectie van stijl en compositie in literatuur (en de kunsten in het algemeen). Vakmanschap blijft bewondering afdwingen, maar het moet wel in dienst staan van het gevoel dat een kunstwerk probeert over te brengen of de ervaring die het wil oproepen. En wat dat betreft is Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan… na ruim honderd jaar nog steeds heel actueel en, naar mijn mening, onovertroffen in de Nederlandse letteren. Het meeslepende verhaal over oude mensen en hun worsteling met een misdaad, die zestig jaar voordien in Nederlands-Indië is gepleegd, gaat vooral over liefde, haat, vergankelijkheid en de betrekkelijkheid van een mensenleven. Universele thema’s, maar ongelofelijk knap door Couperus ingebed in zijn beschrijvingen van het alledaagse leven van een gegoede Haags-Indische familie rond de vorige eeuwwisseling.
Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan… confronteert je (naast nog heel veel meer) onverbiddelijk met je eigen sterfelijkheid; de angst voor de ouderdom ("O God… o God… zoó oud te worden, zóó af te wachten, zoo langzaam de dingen te zien voorbijgaan…"), de last van het verleden ("En dan dat verleden dat je meêzeult, meêzeult… Iederen dag gooit er het zijne bij, onverbiddelijk. Wij, arme muilezels, trekken maar voort, tot we niet meer kunnen, en er bij doòd vallen…") en de dood als bevrijding, die tegelijk een zinloos einde is van een nietig leven.
Het motto van de boekenweek, ‘Van oude menschen’, is ontleend aan het meesterwerk van Louis Couperus uit 1906. Kunstredacteur Job van Schaik herlas het boek en concludeerde, niet voor het eerst, dat de roman uit 1906 het beste Nederlandse boek is dat hij kent.
Ik zal een jaar of zeventien zijn geweest toen ik Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan… voor het eerst las. Wat ik er als tiener van vond, weet ik niet meer. Merkwaardig genoeg zie ik mezelf nog wel met de roman van Louis Couperus, een lelijke, goedkope uitgave met een blauw omslag en gemoderniseerde spelling, op een stoel in de huiskamer van mijn ouderlijk huis zitten. En, zo merkte ik bij elke herlezing, de beelden die het boek in mijn hoofd oproept, zijn altijd hetzelfde gebleven. De bovenkamer van het huis van de stokoude mevrouw Dercksz aan de Nassaulaan in Den Haag, met in zijn stoel bij het raam haar minnaar van vroeger, de oude meneer Takma, ziet er in mijn hoofd nog net zo uit als die eerste keer.
Daar heeft zelfs de televisieserie van Van oude menschen, die ik verschillende keren heb gezien, geen verandering in kunnen brengen. Volgens mij komt dat door de enorme beeldende kracht van Couperus’ taal. Ik ken geen andere schrijver, Tsjechov wellicht uitgezonderd, die zo krachtig een situatie kan neerzetten of zo fraai een mens kan typeren. Het impressionistische taalgebruik van Couperus, met zijn vele neologismen (vaak werkwoordelijk gebruikte bijvoeglijke of zelfstandige naamwoorden), werkt enorm concretiserend. Hij is als een schilder die bestaande woorden mengt tot nieuwe begrippen, die – zonder dat je precies wéét waar ze voor staan – je wel onmiddellijk doen begríjpen waar ze op duiden. Neem de beschrijving van dokter Roelofsz, de partner in crime van de oude Takma en Ottilie:
Dercksz: – Zoo-zoo-zoo, murmelde de oude dokter. Hij zat, difforme massa van waterzuchtige zwaarlijvigheid, gezakt over een stoel; zijn eene stijve been hield hij strak vooruit, en de golving van zijn buik hing daar schuin overheen; zijn geheel geschoren, maar van rimpels verknoeid gezicht was als dat van een heel oude monnik; zijn dun grijs haar scheen, weggevreten door mot, nog in rafels aan zijn schedel te hangen, die als een globe was, met aan den slaap éen ader, zwaar en-relief rivierende; hij lispte en murmelde uitroep na uitroep; achter gouden bril zwommen zijn wateroogen. – Zoo-zoo-zoo, Ottilie, gaat jou Lot eindelijk trouwen…
De tweede keer dat ik Van oude menschen las, was tijdens mijn studie Nederlands, nu bijna twintig jaar geleden. Aanleiding was het beroemde proefschrift, Verhaal en lezer, van W. Blok over Couperus’ meesterwerk, dat ik moest bestuderen. Ik herinner me nog goed mijn conclusie van toen: als er ooit in de geschiedenis van de mensheid een roman is geschreven die stilistisch en compositorisch perfect in elkaar zit, dan is het Van oude menschen.
Toen ik onlangs de roman voor de derde keer las, kwam ik erachter dat die conclusie toch wel erg gestuurd was door de studie van Blok. Ik geloof inmiddels ook niet meer zo in het belang van perfectie van stijl en compositie in literatuur (en de kunsten in het algemeen). Vakmanschap blijft bewondering afdwingen, maar het moet wel in dienst staan van het gevoel dat een kunstwerk probeert over te brengen of de ervaring die het wil oproepen. En wat dat betreft is Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan… na ruim honderd jaar nog steeds heel actueel en, naar mijn mening, onovertroffen in de Nederlandse letteren. Het meeslepende verhaal over oude mensen en hun worsteling met een misdaad, die zestig jaar voordien in Nederlands-Indië is gepleegd, gaat vooral over liefde, haat, vergankelijkheid en de betrekkelijkheid van een mensenleven. Universele thema’s, maar ongelofelijk knap door Couperus ingebed in zijn beschrijvingen van het alledaagse leven van een gegoede Haags-Indische familie rond de vorige eeuwwisseling.
Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan… confronteert je (naast nog heel veel meer) onverbiddelijk met je eigen sterfelijkheid; de angst voor de ouderdom ("O God… o God… zoó oud te worden, zóó af te wachten, zoo langzaam de dingen te zien voorbijgaan…"), de last van het verleden ("En dan dat verleden dat je meêzeult, meêzeult… Iederen dag gooit er het zijne bij, onverbiddelijk. Wij, arme muilezels, trekken maar voort, tot we niet meer kunnen, en er bij doòd vallen…") en de dood als bevrijding, die tegelijk een zinloos einde is van een nietig leven.
